Alles wat stijgt, komt samen? Over Flannery O'Connor en de paradox van convergentie

Wie het kortverhaal “Everything That Rises Must Converge” van Flannery O’Connor leest, blijft vaak met een ongemakkelijke vraag zitten. Wat heeft deze titel — ontleend aan Pierre Teilhard de Chardin — te maken met wat er in het verhaal gebeurt?

Teilhard suggereert een hoopvolle beweging: dat alles wat groeit, stijgt, zich ontwikkelt… uiteindelijk samenkomt. Maar bij O’Connor zie je het omgekeerde. Tussen moeder en zoon groeit geen eenheid, maar afstand. Geen toenadering, maar spanning.

De zoon — Julian — staat, naar eigen gevoel, “aan de juiste kant van de geschiedenis”. Hij doorziet het racisme van zijn moeder, voelt zich moreel en intellectueel superieur. Maar precies daar wringt het. Zijn “groei” wordt geen brug, maar een muur. Zijn inzicht wordt geen verbinding, maar een wapen.

Hier lijkt O’Connor bijna een tegenstem te geven bij Teilhard: niet alles wat stijgt, convergeert. Of scherper nog: sommige vormen van “stijgen” maken echte ontmoeting juist onmogelijk.

De titel werkt daardoor bijna ironisch. Ze legt de kloof bloot tussen wat we denken dat vooruitgang is — en wat het werkelijk doet in menselijke relaties.

En dan gebeurt er iets onverwachts. Geen overwinning van inzicht. Geen morele triomf. Maar een breuk. De moeder stort neer. En met haar ook de zekerheid van de zoon. Zijn ironie, zijn superioriteit, zijn controle — ze houden geen stand. Wat overblijft is verwarring, angst… en misschien, heel even, iets van verbondenheid.

En precies daar verschuift de betekenis van de titel opnieuw. Want wat als O’Connor Teilhard niet simpelweg tegenspreekt, maar zijn gedachte door de werkelijkheid heen test?

Wat als “alles wat stijgt, komt samen” geen automatische wet is, maar een mogelijkheid — die pas zichtbaar wordt wanneer iets in ons breekt? Niet wanneer wij “boven” de ander staan, maar wanneer die positie wegvalt.

In die zin is de convergentie waar Teilhard over spreekt bij O’Connor geen geleidelijk proces van vooruitgang, maar een moment van ontmaskering. Geen zachte groei,
maar genade die doorbreekt.

En misschien raakt dat aan iets herkenbaars. We leven in een tijd waarin velen het gevoel hebben dat ze “verder” zijn dan anderen. Moreel juister. Heldere inzichten. Aan de goede kant. Maar brengt dat ons dichter bij elkaar? Of juist verder uit elkaar?

De vraag die dit verhaal ons stelt, is ongemakkelijk: Wat in ons noemen wij “groei”,
maar verhindert in werkelijkheid dat we samenkomen?

En omgekeerd: Wat moet misschien eerst breken, opdat echte ontmoeting mogelijk wordt?