Dank je voor deze vraag — want eerlijk gezegd zat ik eerst met exact dezelfde verwondering.
Toen ik het verhaal van Flannery O’Connor las, leek de titel “Alles wat stijgt, moet samenkomen” bijna misplaatst. Niets in de relatie tussen moeder en zoon wijst spontaan op “samenkomen” — integendeel: je voelt vooral afstand, spanning, zelfs een zekere minachting.
En toch… gebeurt er op het einde iets. Geen geleidelijke groei, geen ideologische overwinning, maar een breukmoment. Een crisis. Iets wat door die opgebouwde façade heen snijdt.
En precies daar begon ik te vermoeden dat Pierre Teilhard de Chardin misschien op een heel andere manier aanwezig is in dit verhaal dan ik eerst dacht.
Niet als een optimistische lijn van vooruitgang, maar als een vraag: wanneer en hoe komen mensen werkelijk samen?
Ik ben dat spoor een beetje beginnen volgen… en het blijkt verrassender dan ik had verwacht.
Ik heb daar intussen een uitgebreidere post over geschreven, omdat het een nieuwe, interessante denkpiste is.