Een statisch versus een historisch begrip van openbaring (Vermeersch vs. van Praag)

Slavernij en openbaring. Waarom Etienne Vermeersch en Henri van Praag langs elkaar heen spreken.

Geplaatst op **31 januari 2026**door Ropa

In een veel gedeelde Engelstalige video stelt de Belgische filosoof Etienne Vermeersch dat het feit van slavernij op zichzelf voldoende is om zowel de christelijke als de islamitische openbaring als mensenwerk af te doen. Zijn redenering is eenvoudig en op het eerste gezicht overtuigend: als God zich werkelijk geopenbaard heeft, dan zou die openbaring slavernij onmiddellijk en ondubbelzinnig hebben veroordeeld. Omdat dat niet is gebeurd — integendeel, slavernij werd eeuwenlang religieus gelegitimeerd — kan er volgens hem geen sprake zijn van een goddelijke openbaring.

Het argument is scherp, moreel geladen en sluit aan bij hedendaagse gevoeligheden rond kolonialisme en westerse onderdrukking. Toch rust het op een aanname die zelden expliciet wordt gemaakt: een zeer specifiek begrip van wat openbaring zou moeten zijn.
Juist op dat punt biedt Henri van Praag in “De sporen van Israël in het Westen”[1] een fundamenteel ander perspectief. “

Een statisch versus een historisch begrip van openbaring

Vermeersch vertrekt impliciet van een statisch model van openbaring:

  • openbaring is een tijdloze morele code,

  • in één keer gegeven,

  • onmiddellijk toepasbaar,

  • en moreel transparant volgens hedendaagse maatstaven.

Binnen dat model is zijn conclusie logisch: geen expliciet verbod op slavernij = geen openbaring.

Van Praag denkt radicaal anders. In zijn analyse beschrijft hij openbaring niet als een moreel eindpunt, maar als een historisch leerproces. Openbaring is geen kant-en-klare ethiek, maar een weg waarop mensen langzaam leren wat menswaardigheid betekent, vaak tegen de weerbarstigheid van hun eigen sociale en economische structuren in.

Slavernij is in die visie geen bewijs tegen openbaring, maar een toetssteen: laat de bijbelse traditie historisch gezien een beweging zien weg van slavernij, of niet?

Van Praag meent van wel — en dat laat zich helder tonen aan de hand van drie momenten.

Drie historische momenten

1. Philo van Alexandrië: slavernij on-natuurlijk gemaakt

In de eerste eeuw van onze jaartelling leefde Philo of Alexandria, een joodse denker in de Grieks-Romeinse wereld. Slavernij was toen een vanzelfsprekend fundament van de samenleving. Aristoteles had haar zelfs filosofisch gelegitimeerd: sommige mensen zouden “van nature” slaaf zijn.

Philo doorbrak dit kader met een eenvoudige maar radicale stelling: Niemand wordt als slaaf geboren; allen zijn vrij van nature.

Hij riep niet op tot onmiddellijke afschaffing – dat zou historisch ondenkbaar zijn geweest – maar hij ontnam slavernij haar natuurlijke rechtvaardiging. Slavernij werd niet langer gezien als orde van de schepping, maar als gevolg van menselijke machtsverhoudingen.

Dat is een beslissende verschuiving. Waar slavernij haar vanzelfsprekendheid verliest, wordt zij moreel problematisch. Hier wordt geen wet uitgevaardigd, maar een moreel principe geformuleerd dat pas later zijn volle consequenties zal krijgen.

Ironisch genoeg beroept Vermeersch zich zelf op Philo. Daarmee gebruikt hij een vrucht van het bijbelse denkproces tegen de boom die haar heeft voortgebracht.

2. Jacob van Maerlant: ongelijkheid wordt een vraag

In de dertiende eeuw stelt de christelijke dichter Jacob van Maerlant een vraag die op het eerste gezicht eenvoudig klinkt, maar in zijn context explosief is: Waarom worden mensen ongelijk geboren, als zij allen van Adam afstammen?

De feodale orde was toen diep verankerd. Heren en horigen golden als gegeven. Maar binnen het bijbelse scheppingsverhaal — één oorsprong, één mensheid — begint die orde te wringen.

Van Maerlant is geen revolutionair. Hij schaft geen systemen af. Maar hij verwoordt een spanning die zonder de bijbelse traditie nauwelijks denkbaar is: hoe kan fundamentele gelijkheid samengaan met structurele ongelijkheid?

Wat hier gebeurt, is cruciaal voor Van Praags betoog: openbaring werkt niet door onmiddellijke afkondiging, maar door het moreel problematiseren van wat ooit vanzelfsprekend was.

3. Wilberforce en Rothschild: het moment van onomkeerbaarheid

De derde stap in dit proces ligt in de negentiende eeuw, wanneer slavernij voor het eerst niet alleen moreel wordt bestreden, maar ook juridisch wordt afgeschaft. In het Britse rijk gebeurde dat met de Slavery Abolition Act van 1833. Daarmee verklaarde een wereldrijk slavernij als instituut onaanvaardbaar.

De morele en politieke gangmaker achter dit proces was William Wilberforce, die zich vanuit een diep christelijk geïnspireerde overtuiging decennialang had ingezet voor de afschaffing van eerst de slavenhandel en vervolgens de slavernij zelf. Maar moreel inzicht alleen volstaat niet. Om de afschaffing uitvoerbaar te maken, koos de regering voor een controversiële maar effectieve oplossing: slavenhouders werden financieel gecompenseerd.

Een centrale rol in deze operatie speelde Nathan Mayer Rothschild, niet als geldschieter uit eigen vermogen, maar als financiële architect van de staatslening. Via een door hem georganiseerd syndicaat werd het grootste deel van de lening onderschreven en op de markt geplaatst, waardoor de staat verzekerd was van de nodige middelen.

Henri van Praag benadrukt het pragmatische karakter van deze aanpak: niet omdat openbaring plots iets nieuws zegt, maar omdat zij lang genoeg heeft ingewerkt in het morele bewustzijn van de samenleving, wordt afschaffing hier nu praktisch mogelijk gemaakt.

Wat Vermeersch mist

Vermeersch heeft gelijk dat slavernij eeuwenlang religieus gelegitimeerd werd. Dat mag niet worden weggepoetst. Maar hij trekt daaruit een conclusie die alleen houdbaar is als men openbaring begrijpt als een statisch moreel handboek.

Van Praag laat iets anders zien: de bijbelse traditie legitimeert slavernij niet als ideaal, maar ondergraaft haar op lange termijn. Zij ontneemt haar natuurlijke status, maakt haar moreel problematisch en draagt bij aan een historische ontwikkeling waarin slavernij uiteindelijk onaanvaardbaar wordt.

Wat Vermeersch als falen van openbaring beschouwt, is in deze lezing juist haar historische werking.

Slot: waarom dit vandaag telt

In een tijd waarin religie vaak wordt voorgesteld als obstakel voor emancipatie, is dit onderscheid cruciaal. Niet elke religieuze houding is bevrijdend. Maar evenmin is elke vorm van emancipatie denkbaar zonder het morele erfgoed van de bijbelse traditie.

Slavernij is hier geen zijthema, maar een lakmoesproef. Zij toont hoe moreel inzicht niet uit het niets ontstaat, maar groeit — langzaam, conflictueus, historisch.

Dat besef maakt het mogelijk om vandaag opnieuw het gesprek aan te gaan tussen gelovigen en vrijzinnigen, zonder elkaar te overdonderen met absolute claims, maar met oog voor de lange weg waarop morele waarheid zich ontvouwt.


[1] In de Waagschaal (Nederlands theologisch tijdschrift), 1951

Dag Roel,
heel mooi hoe je een model van statisch universalistisch denken plaatst tegenover de dynamische versie ervan bij Henri Van Praag. Apprcieëer het zeer.
Ikzelf ben nu, na het lezen van jouw stuk, eigenlijk benieuwd hoe jij de bijbels-monotheïstische hervertelling van Marc De Kesel, die ook heel erg uitgaat vanuit die dynamisch lerende kracht die vervat zit in de verhalen van de profeten, zou appreciëren. Hij schreef er een essay over onder de naam ‘Goden breken’
De link naar een goede podcast erover van J.P. Rondas is helaas in de tijd verloren. Maar ik zou je die eventueel kunnen opsturen.
Fijne groeten,
Johann

Hoi Johann, fijn van je te horen. Ik heb Goden breken zelf (nog) niet gelezen, maar ben wel wat gaan rondneuzen om me toch een beeld te vormen van de inhoud — onder meer aan de hand van de bespreking door G.J.E. Rutten. Vanuit die indrukken heb ik bijgaande tekst geschreven, maar dan wel met het expliciete voorbehoud dat ik me niet voldoende in De Kesels werk heb verdiept om er met volledige zekerheid over te spreken. Zie het dus vooral als een aanzet voor een gesprek.

Mijn voorlopige indruk is dat De Kesel eerder als humanist — misschien zelfs als agnost — spreekt dan als gelovige, maar daar hoor ik graag jouw visie op.

Hoe ik Marc De Kesels Goden breken waardeer in vergelijking met de profetische openbaringsdynamiek

Naar aanleiding van je vraag hoe ik de “bijbels‑monotheïstische hervertelling” van Marc De Kesel — zoals uitgewerkt in Goden breken — zou appreciëren, vooral in relatie tot mijn stuk over slavernij en openbaring, heb ik enkele gedachten geformuleerd. Het is zowel een erkenning van wat De Kesels benadering scherp zichtbaar maakt, als een evaluatie van waar zij voor mij fundamenteel anders is, en eigenlijk, als ik zo vrij mag zijn dit zo te stellen, ‘tekortschiet’ in vergelijking met een existentiële, profetische lezing zoals bij Henri van Praag.

1. Wat ik sterk vind in De Kesels benadering

1.1 Monotheïsme als kritiek op elk godsbeeld

De Kesel leest het monotheïsme als een permanente ontmaskering van afgoderij, ook van afgoderij binnen de eigen religieuze traditie. In zijn interpretatie richten de profeten hun pijlen niet op “ongelovigen”, maar op gelovigen die zich te zeker voelen van hun godsbeeld, te snel denken te weten wie God is.

Dat komt overeen met één van zijn stellingen: “Niets van wat wij denken dat goddelijk of God is, is God; alléén God is God.”

Deze profetische beeldenstorm is een van de sterkste bijbelse tradities: het doorprikken van valse zekerheden, het breken van gouden kalveren, het ontwrichten van zelfgemaakte waarheden.

1.2 De profeten als dynamiek van ont‑afgoderij

In die zin is er bij De Kesel wél een “dynamisch lerende kracht”: niet een groeiende kennis van God of van Gods programma, maar een groeiende gevoeligheid voor wat géén God is. Profetische verhalen functioneren als momenten van theologische zuivering: elke vorm van dogmatische verstarring wordt opnieuw opengewerkt.

1.3 De moderne relevantie van deze lezing

Door monotheïsme te begrijpen als een kritische structuur, laat De Kesel zien hoe de wortels van modern, kritisch denken — twijfel, scepsis, waarheidszoeking — al in het bijbels monotheïsme aanwezig zijn. In tijden van fundamentalisme én cynisch relativisme is dit een op zichzelf waardevol inzicht.

2. Waar mijn appreciatie stopt — en waarom

Hoewel ik waardering heb voor De Kesels methode en intellectuele scherpte, blijft zijn benadering voor mij geen dragende hermeneutiek, precies omdat zij geen openbaring erkent als concrete, historisch‑emanciperende beweging.

2.1 De ontbrekende existentiële betrokkenheid

Henri van Praag spreekt als gelovige, als iemand die geloof ziet als een historisch (werkend), ethisch proces: openbaring maakt de mens vrijer, wijzer en rechtvaardiger. Zijn profetische traditie is niet alleen ontmaskerend maar opbouwend, gericht op menselijke groei doorheen de tijd.

Bij De Kesel daarentegen ontbreekt – zo lijkt het toch- die positieve, historische horizon. Hij staat (eerder) buiten de geloofstraditie en analyseert haar als structuur. Zijn lezing is scherp, maar niet existentieel.

2.2 Wat blijft er over ná de deconstructie?

Dit is mijn grootste vraag.

Negatieve theologie is één ding — een open ruimte voor het Onuitsprekelijke kan religie juist verdiepen. Maar bij De Kesel is er geen openbaring die praat, geen geschiedkundige ontwikkeling, geen morele teleologie.

Het breken blijft, maar het bouwen ontbreekt.

3. De cruciale kwestie: Jezus als beeld van God

Hier ligt het grootste verschil tussen Van Praags denken en De Kesels benadering.

3.1 Wat gebeurt er met de incarnatie onder deconstructie?

Vanuit De Kesels logica is het christelijke incarnatie‑dogma — de overtuiging dat God in Jezus zichtbaar wordt — precies het soort afgodisch risico dat de profeten steeds opnieuw hebben bestreden. Als je deze deconstructie consequent doordenkt, verdwijnt Jezus niet alleen als ‘beeld van God’, maar valt ook de messiaanse legitimiteit van het christendom weg: er blijft geen historische openbaring, geen verbondscontinuïteit en geen vooruitgang naar een nieuwe mensheid over.

Vanuit mijn benadering, die zich op Van Praags denken baseert, waarin het bijbelse monotheïsme juist een emanciperende, narratieve en profetische beweging is, blijft dit een grens. Een puur deconstructief monotheïsme breekt weliswaar afgoden, maar laat geen positieve messiaanse horizon bestaan — en precies die horizon maakt het christendom (met Jezus als eersteling binnen een voortgaande (messiaanse) bevrijdingsgeschiedenis) voor mij theologisch en menselijk zinvol.

4. Waar ik dan uiteindelijk sta

Ik waardeer Goden breken als een krachtig kritisch instrument, waar het helpt afgoden te ontmaskeren en beschermt tegen dogmatisme. Maar, de profetische traditie is voor mij meer dan louter deconstructie: zij is een historisch appèl, een emancipatorische beweging die mensen verandert en samenlevingen optilt. En in die beweging krijgt Jezus — als eersteling binnen een messiaans proces — een betekenis die je niet kunt behouden wanneer je enkel het deconstructieve spoor volgt.

Daarom kan ik De Kesel zeker waarderen, maar voel ik me meer aangetrokken tot een lezing die openbaring ziet als een historisch groeiproces, en minder tot een visie op religie als (enkel) structurele kritiek.