Pinksteren. Als ik aan jongeren in de klas vroeg naar de drie belangrijkste christelijke feesten, dan was er altijd ééntje dat ze niet kenden: ze konden er nog wel een aantal andere opsommen, allerheiligen, nieuwjaar
, Hemelvaart…, maar Pinksteren , nee, wel eens van gehoord, maar dat dat een belangrijke feestdag was…?
Het is niet verwonderlijk dat het in een seculiere tijd ook moeilijk kan begrepen of geplaatst worden, maar met evenveel recht zouden we kunnen zeggen dat Pinksteren één van de , zoniet dé belangrijkste feestdag is in het christelijke jaar. In het drieluik Kerstmis, Pasen en Pinksteren kunnen we het plaatsen als het afsluitstuk in het verhaal van het Licht dat geboren wordt (Kerstmis), het Licht dat de duisternis overwint (Pasen) en het Licht dat zich dan verspreidt over de gehele aarde. Voor christenen betekent Pinksteren dat het Licht niet verborgen blijft. De Geest bezielt mensen om te spreken, te getuigen en de boodschap verstaanbaar te maken voor alle volken.
Het mag u misschien vreemd tegenkomen dat God wordt aangeduid of vergeleken met het Licht, maar in religieuze taal is dit niet ongebruikelijk.
Ook in de Koran wordt God in verband gebracht met licht. Het bekende Lichtvers, soera an-Noer 24:35, wordt soms letterlijk vertaald als: “Allah is het Licht van de hemelen en de aarde.” Andere vertalingen geven het uitleggend weer: “Allah geeft licht aan” of “voorziet de hemelen en de aarde van licht.” Dat verschil wijst op een belangrijke gevoeligheid: Gods licht mag niet eenvoudig worden gelijkgesteld met het geschapen licht van zon en maan. Toch is de beweging van het vers duidelijk: “Allah leidt naar Zijn licht wie Hij wil.” Licht is hier dus niet alleen beeld van helderheid of schoonheid, maar ook van leiding. En precies zo raakt het opnieuw aan Pinksteren: aan de vraag hoe mensen zich laten leiden door wat zij als ''openbaring" ontvangen.
Sjavoeot als feest van oogst én Torah: twee vormen van gave
Het woord Pinksteren komt van het Griekse “pentēkostē”, “vijftigste”. Het verwijst naar de vijftigste dag na Pasen. In de joodse kalender vindt de vijftigste dag na Pesach, dat de bevrijding uit Egypte herdenkt, het “Wekenfeest” plaats: Sjavoeot. “Wekenfeest” omdat er zeven weken worden geteld vanaf Pesach.
Oorspronkelijk is Sjavoeot sterk verbonden met landbouw: de eerste vruchten, de oogst, dankbaarheid voor wat ontvangen werd. Later wordt het in de joodse traditie ook het feest van Matan Torah, de gave van de Torah op Sinaï.
Sjavoeot is dus tegelijk oogstfeest en feest van de gave van de Torah. Die dubbele laag is veelzeggend. De mens leeft van wat de aarde voortbrengt, maar ook van wat hem van Godswege richting geeft. Brood voedt het lichaam; Torah geeft richting aan het leven. Wat gegeven wordt, blijft echter niet passief bezit. De aarde vraagt om bewerking; de Torah vraagt om uitleg, toepassing en belichaming.
Pinksteren
Christelijk gelezen wordt Pinksteren, dat zoals Sjavoeot ook op de vijfijgste dag na Pasen valt, een nieuwe laag bovenop een bestaande joodse feeststructuur: de God die bevrijdt, verbindt en onderwijst, wordt nu ervaren als Geest die mensen van binnenuit bezielt en naar buiten zendt.
In het verhaal van Handelingen 2 gebeurt Pinksteren niet toevallig op een joods feest. Er zijn joodse pelgrims in Jeruzalem “uit alle volken onder de hemel”. Dan verschijnen er “tongen als van vuur” en beginnen de leerlingen in verschillende talen te spreken, zodat ieder hen in zijn eigen taal hoort.
Het vuur verwijst naar Gods aanwezigheid, zoals bij Sinaï, maar nu rust het vuur niet op één berg, maar op mensen. Op Sinaï klinkt Gods stem; bij Pinksteren manifesteert zich de Geest die de leerlingen van Jezus inspireert waardoor mensen nu zelf dragers worden van een geïnspireerd woord. De boodschap blijft niet opgesloten in één taal, volk of kring, maar wordt verstaanbaar in de talen van anderen.
Pinksteren is dus niet zozeer een feest van religieuze uniformiteit, maar eerder een wonder dat mensen elkaar kunnen verstaan ondanks een andere taal, cultuur of achtergrond. Pinksteren draait dan niet om het opheffen van verschil, maar om het verstaanbaar worden over grenzen heen. De Geest maakt de veelheid van talen niet ongedaan; Hij maakt communicatie mogelijk.
Dat betekent niet dat Gods Geest alleen binnen de kring van de leerlingen werkzaam zou zijn. Pinksteren zegt vooral dat deze leerlingen door de Geest worden toegerust om getuigen te worden. De bredere vraag hoe Gods Geest ook buiten de zichtbare grenzen van de Kerk werkt, blijft precies een van de vragen die in een interreligieuze ruimte als Wus’a gesteld mag worden.
En in de islam?
De meest directe parallel met Sjavoeot en Pinksteren in de islam is Laylat al-Qadr, de “Nacht van de Beschikking/Macht”, waarin volgens de islamitische traditie de openbaring van de Koran begint. Soera 97 zegt: “Wij hebben hem neergezonden in de Nacht van al-Qadr.”
Zoals Sjavoeot herinnert aan de gave van de Torah, en Pinksteren aan de gave van de Geest, zo herinnert Laylat al-Qadr in de islam aan de neerdaling van de Koran: het Woord dat leiding geeft.
In alle drie de tradities gaat het om een beweging van boven naar beneden — openbaring, licht, richting — die mensen niet alleen troost, maar ook verantwoordelijkheid geeft.
Openbaring als gave die opdracht wordt.
Misschien is “verantwoordelijkheid” nog te vaag. In de Bijbelse traditie gaat het om meer dan verantwoordelijk omgaan met een erfgoed. Het gaat om roeping. Wat God geeft, vraagt om antwoord. De Torah wordt aan Israël gegeven om geleefd, uitgelegd en doorgegeven te worden. De Geest wordt gegeven om mensen te bezielen, te laten spreken en bruggen van verstaan te slaan. Openbaring is dan geen bezit, maar een opdracht: een gave die pas vruchtbaar wordt wanneer mensen haar belichamen.
Sjavoeot verbindt de oogst van de aarde met de gave van de Torah: de mens leeft niet alleen van brood, maar ook van richting, woord, wijsheid en opdracht.
En precies daar kan Pinksteren christelijk verder spreken: de leerlingen van Jezus worden door de Geest worden toegerust om getuigen te worden van wat zij in Jezus als Gods messiaanse handelen hebben herkend. De Geest wordt gegeven als kracht om die roeping niet alleen te bewaren, maar te verstaan, te spreken en uit te dragen.
Vergelijken is niet gelijkschakelen
Het gemeenschappelijke zoeken in de drie openbaringstradities is niet het wegpoetsen van verschillen, maar precies de verschillen kunnen begrijpen in hun specificiteit en eigenheid vanuit een gezamenlijk perspectief.
We kunnen kat en hond allebei “zoogdieren” noemen zonder daarmee te beweren dat ze eigenlijk hetzelfde dier zijn. De noemer “zoogdier” wist de verschillen niet uit; hij maakt een vergelijking mogelijk. Zo ook met “openbaringstradities” of “volkeren van het Boek”. Die noemer zegt niet: Jodendom, christendom en islam zeggen eigenlijk hetzelfde. Maar wel: deze tradities verstaan zichzelf niet alleen als menselijke wijsheidstradities, maar als tradities waarin God zich tot mensen richt, mensen roept, onderwijst en verantwoordelijk maakt. Daarmee heb je een gemeenschappelijk veld, zonder de verschillen te betonneren of weg te poetsen.
Vergelijken is niet gelijkschakelen. Vergelijken is zoeken naar een gemeenschappelijk niveau waarop verschillen zichtbaar, bespreekbaar en vruchtbaar worden.
De verschillen ernstig nemen, maar niet absoluut maken
In het verhaal van Sjavoeot, Pinksteren en Laylat al-Qadr zien we dat er andere termen of uitdrukkingen worden gebruikt. Zo zou je kunnen : zeggen dat de formulering “neergedaald” islamitisch is, “gegeven” joods, en “uitgestort” christelijk — alsof het drie volledig afgesloten werelden zijn.
Natuurlijk hebben die woorden een eigen religieuze kleur: de Torah wordt gegeven; de Geest wordt uitgestort; de Koran wordt neergezonden. Maar op een hoger vergelijkingsniveau drukken ze alle drie iets verwants uit: Wat richting geeft aan de mens komt niet louter uit de mens zelf. Het wordt ontvangen, geschonken, geopenbaard, toevertrouwd.
Daarom is het goed om verschillen als accenten te beschrijven, niet als betonnen scheidsmuren.
Elke traditie heeft haar eigen taal voor het goddelijke initiatief: gave, uitstorting, neerdaling. Maar in alle drie gaat het om een beweging waarin de mens niet zichzelf tot laatste maatstaf maakt, maar zich aangesproken weet en een opdracht krijgt van wat hem overstijgt, van Gods wege.
Vanuit onze eigen tradities erkennen wij dat de mens niet leeft uit zichzelf alleen. Hij ontvangt richting, licht en verantwoordelijkheid. In ontmoeting met elkaar willen wij onderzoeken hoe dat ontvangen licht ons niet afsluit van de ander, maar juist opent voor dieper verstaan.
Van Babel naar Pinksteren: verstaanbaar worden
Pinksteren wordt in de christelijke traditie vaak gelezen als een omkering van Babel. In Genesis 11 bouwen mensen een stad en een toren. Vaak wordt dat gelezen als kritiek op menselijke hoogmoed: mensen willen “zich een naam maken”. Maar er zit ook een andere laag in. Babel is een verhaal over samen bouwen zonder elkaar nog te verstaan.
Grote projecten brengen mensen samen, maar gemeenschap ontstaat niet vanzelf. Ook vandaag zien we dat waar economie, arbeid, macht en migratie mensen uit vele talen en achtergronden samenbrengen, dezelfde vraag terugkeert: hoe leren mensen die naast elkaar leven en werken, elkaar werkelijk verstaan?
In het Pinksterverhaal gaat het historisch gezien eerst om joodse pelgrims en proselieten uit de diaspora: mensen die uit verschillende landen en taalgebieden naar Jeruzalem zijn gekomen. Het wonder is niet dat al die verschillen verdwijnen. Het wonder is dat ieder de boodschap hoort in zijn eigen taal. De veelheid wordt dus niet uitgewist, maar verstaanbaar gemaakt.
Zoals in het verhaal van de Toren van Babel, aan het begin van de geschiedenis, verdeeldheid van de volken ontstond, wordt nu voorgehouden dat nu, kort voor het (verwachte) einde van de geschiedenis, of in de messiaanse tijd, opnieuw eenheid ontstaat onder invloed van Gods Geest.
Daarmee raakt Pinksteren aan een vraag die vandaag opnieuw bijzonder actueel is. Verstaanbaarheid gaat niet alleen over vreemde talen. Ze gaat ook over woorden, beelden en symbolen die voor de ene groep vanzelfsprekend zijn, maar voor anderen codetaal worden. Ook religieuze taal kan onverstaanbaar worden wanneer ze niet meer wordt vertaald naar de leefwereld van mensen vandaag.
Pinksteren is daarom niet alleen het feest van spreken, maar ook van vertalen. De leerlingen van Jezus worden door de Geest bezield om te getuigen dat de opstanding van Jezus voor hen het teken is dat Gods messiaanse toekomst in deze wereld is begonnen: een toekomst van leven sterker dan dood, van vergeving, gerechtigheid en vrede. Maar precies die boodschap moet telkens opnieuw verstaanbaar worden gemaakt voor mensen met andere talen, achtergronden en levensverhalen.
Dat maakt Pinksteren zo actueel voor Wus’a. Niet de veelheid van talen, culturen en religieuze tradities is het probleem. Het probleem ontstaat wanneer er geen ruimte is waarin die veelheid tot gesprek kan worden.
Wus’a wil zo’n ruimte zijn: geen toren van één taal en één naam, en ook geen plaats waar verschillen worden gladgestreken. Wel een leerplaats waar verschillende stemmen elkaar leren verstaan. Niet door de eigen taal op te geven, maar door haar zo te vertalen dat de ander kan horen wat werkelijk bedoeld wordt.