SIRE, de Nederlandse Stichting Ideële Reclame, maakt al jaren publieke bewustmakingscampagnes over maatschappelijke thema’s. Momenteel loopt er een campagne over de risico’s van polarisatie. Kijk even mee.
Of het nu gaat over het klimaat, asiel of politiek, elke campagnespot eindigt met dezelfde eenvoudige maar indringende vraag:
**“Ben je nu een discussie aan het winnen, of elkaar aan het verliezen?”
**
Die vraag bleef bij mij hangen. Ze raakt aan iets dat we vandaag op veel plaatsen zien: hoe snel een samenleving in kampen uiteenvalt, en hoe gemakkelijk instellingen die eigenlijk ruimte voor waarheid en ontmoeting zouden moeten bewaken, zelf deel worden van die polarisatie.
De gezamenlijke beslissing van de Universiteit Antwerpen, UGent en de VUB om Francesca Albanese, de VN-Speciaal Rapporteur voor de mensenrechten in de sinds 1967 bezette Palestijnse gebieden, een eredoctoraat toe te kennen, was voor mij zo’n moment van ernstige bezinning. De drie universiteiten hebben die keuze publiek verdedigd en benadrukt dat ze die niet lichtvaardig namen.
Men kan erkennen dat hier een oprechte intentie achter zit en toch tot de conclusie komen dat deze keuze verkeerd is.
Voor mij is dat de kern. Niet alles wat met morele overtuiging gebeurt, is daarom ook verstandig, waarheidsgetrouw of verantwoord. Juist universiteiten zouden dat moeten weten.
Een universiteit is geen partijpolitiek orgaan en ook geen activistische instelling. Zij heeft natuurlijk een maatschappelijke rol, maar haar eerste roeping is niet het bekrachtigen van morele kampen. Haar eerste roeping is waarheidszoeking: zorgvuldig onderscheiden, kritisch toetsen, niets onder tafel vegen, ook niet wanneer bepaalde feiten ongemakkelijk zijn voor het verhaal dat men wil vertellen.
En precies daar wringt het hier.
Wie Francesca Albanese eert, eert niet alleen een functie, maar ook een publieke stem en een moreel voorbeeld. Een eredoctoraat is geen neutrale registratie. Het is een onderscheiding. Het zegt aan studenten, medewerkers en de bredere samenleving: dit is iemand die wij naar voren schuiven als voorbeeldige figuur.
Dan volstaat het niet om te zeggen dat de keuze “niet tegen Israël” of “niet tegen joden” gericht is. Zulke sussende formules beantwoorden de eigenlijke vraag niet. De echte vraag is of men voldoende ernstig onder ogen heeft gezien dat Albanese al geruime tijd onderwerp is van zware en breed geformuleerde kritiek, onder meer wegens uitspraken en gedragingen die door verschillende regeringen en critici als antisemitisch of ernstig eenzijdig worden beschouwd. In februari 2026 riepen meerdere Europese landen publiek op tot haar ontslag; tegelijk ontstond daartegen ook verweer binnen VN-kringen, die stelden dat sommige beschuldigingen gebaseerd waren op verdraaiing of desinformatie. Juist daarom is deze kwestie niet banaal, maar zwaar beladen.
Dat betekent niet dat elke aantijging automatisch bewezen is. Maar het betekent wél dat de controverse ernstig genoeg is om niet weg te masseren met een paar geruststellende zinnen.
Nog fundamenteler is er een inhoudelijke spanning die men niet zomaar kan negeren. De Europese Unie behandelt Hamas binnen haar sanctiekaders als terroristische actor en heeft die maatregelen de voorbije jaren verder uitgewerkt en bevestigd. Dat is geen detail en geen “interpretatie”. Het is het formele institutionele kader waarin Europese universiteiten zelf opereren.
Wanneer iemand die door een universiteit geëerd wordt, herhaaldelijk op een manier spreekt over Hamas die volgens vele critici moreel en politiek verhullend werkt, dan is het niet voldoende om te doen alsof dit slechts “kritiek uit bepaalde hoek” is. Dan rijst de vraag of een universiteit nog werkelijk de hele waarheid onder ogen wil zien, of vooral een bepaald moreel signaal wil uitzenden.
En hier wil ik ook iets persoonlijks en principieels zeggen. De zorg over deze keuze is geen zaak van “joodse organisaties” alleen. Natuurlijk is het volkomen begrijpelijk en terecht dat Joodse organisaties hier bijzonder alert en bezorgd op reageren. Er was ook effectief scherpe veroordeling vanuit de gecoördineerde Joodse vertegenwoordiging in België.
Maar men hoeft niet joods te zijn om deze zaak problematisch te vinden. Net zoals men niet zwart hoeft te zijn om racisme tegen zwarten te verwerpen, hoeft men niet tot een Joodse organisatie te behoren om antisemitische ontsporingen, morele blindheid of institutionele whitewashing te herkennen en te benoemen.
Wat mij zorgen baart, is precies dat sommige reacties de indruk wekken dat deze bezwaren vooral een “particuliere gevoeligheid” van een betrokken gemeenschap zijn. Dat zou een vergissing zijn. Hier staat een algemener beginsel op het spel: of universiteiten nog bereid zijn ook datgene ernstig te nemen wat niet in het heersende morele script past.
Misschien is de verleiding vandaag groot om mee te bewegen met interne druk, activistische verwachtingen en de symbolische logica van het moment. Misschien voelt het voor bestuurders veiliger om een keuze te maken die in bepaalde milieus als moedig of progressief geldt. Maar morele moed is niet hetzelfde als morele juistheid. En een universiteit die haar onderscheidingsvermogen verliest, verliest uiteindelijk meer dan haar neutraliteit. Zij verliest haar geloofwaardigheid.
Dat is voor mij de diepste reden van bezwaar.
Ik schrijf dit niet omdat ik het gesprek wil sluiten. Integendeel. Ik denk dat we juist nu het gesprek nodig hebben. Ik wil de ander aanhoren, ook wie de beslissing verdedigt. Ik wil erkennen dat achter die verdediging vaak ook echte bekommernis schuilt: om mensenrechten, om Gaza, om onrecht, om de plicht niet te zwijgen. Maar het gesprek verliest zijn integriteit wanneer één kant haar eigen morele zelfbeeld als voldoende bewijs begint te beschouwen.
Een universiteit moet meer doen dan goede intenties bevestigen. Zij moet ook de vraag verdragen of haar eigen keuze misschien een vorm van blindheid bevat.
Daarom zou mijn vraag aan deze universiteiten niet polemisch, maar ernstig zijn:
Hebben jullie hier werkelijk de volledige waarheid onder ogen gezien?
Hebben jullie de zwaarwegende bezwaren ernstig genoeg gewogen?
En beseffen jullie dat een eredoctoraat niet alleen een persoon eert, maar ook een moreel voorbeeld stelt voor jonge mensen?
Als het antwoord op die vragen onvoldoende helder is, dan is de vraag van SIRE pijnlijk actueel. Dan gaat het niet meer alleen over een discussie die men denkt te winnen. Dan gaat het over mensen die men onderweg verliest — studenten, collega’s, burgers — omdat zij voelen dat niet alle feiten even welkom zijn in het verhaal dat men wil vertellen.
Een universiteit mag best moedig zijn.
Maar moed zonder waarheidsdiscipline is geen deugd.
En morele symboliek zonder volledige eerlijkheid is geen verlichting, maar verduistering.
