God wil de levende zoon
Waarom Eid al-Adha een tegengif kan zijn tegen elke doodscultus
Elk jaar vieren moslims wereldwijd Eid al-Adha, het Offerfeest. Dit jaar was dat op 27 mei, maar in landen als Marokko en Turkije, en ook binnen veel moslimfamilies in Europa, loopt de feestperiode vaak nog enkele dagen door.
Zoals Kerstmis bij christenen wordt ook het Offerfeest niet door iedereen op dezelfde manier beleefd. Voor sommigen staat de religieuze betekenis centraal, voor anderen eerder familie, traditie of cultuur. En zoals religieuze feesten doorheen de tijd wel eens iets veranderen, evolueert ook het Offerfeest. In veel gezinnen verschuift de aandacht van het rituele slachten zelf naar de achterliggende betekenis: delen, solidariteit, dankbaarheid en zorg voor wie het moeilijk heeft.
Maar net zoals Kerstmis ook seculiere christenen kan uitnodigen om stil te staan bij de betekenis van het feest, geldt dat voor veel moslims eveneens voor het Offerfeest.
Samen met het Suikerfeest behoort het tot de grote feesten van de islam. Families komen samen, er wordt gebeden, gedeeld, geofferd.
Voor wie buiten de islam staat, kan het woord “offer” tegelijk vertrouwd en ongemakkelijk klinken. Vertrouwd, omdat offer een diep religieus begrip is. Ongemakkelijk, omdat offer ook kan ontsporen: in zelfopoffering, geweld, martelaarschap of de bereidheid om mensenlevens aan een hoger doel ondergeschikt te maken.
Juist daarom blijft het verhaal dat aan Eid al-Adha verbonden is, mij bezighouden.
Ibrahim — Abraham — ontvangt de opdracht of droom zijn zoon te offeren. Over de precieze naam van de zoon verschillen joodse, christelijke en islamitische tradities. In de Hebreeuwse Bijbel gaat het om Isaak; in de islamitische overlevering wordt de zoon meestal met Ismaël geïdentificeerd. Maar voor wat ik hier wil onderzoeken, is dat verschil niet het belangrijkste. Belangrijker is wat in beide verhaallijnen gebeurt: Abraham/Ibrahim gaat tot aan de grens van het offer, maar op het beslissende moment wordt het mensenoffer onderbroken. De zoon sterft niet. Hij wordt gered.
Men kan dit verhaal lezen als een verhaal over gehoorzaamheid. Dat is zeker een centrale islamitische lezing. Ibrahim en zijn zoon tonen zich bereid zich volledig aan God toe te vertrouwen. Men kan het ook lezen als een beproeving: het leven als test, waarin de mens moet tonen dat hij God boven alles stelt. Ook dat is een diep islamitisch motief. Veel moslims spreken over het leven als een test, en het verhaal van Ibrahim past daarin.
Maar zelfs wanneer men het verhaal primair als gehoorzaamheid of beproeving leest, blijft één element onontkoombaar: de menselijke dood wordt niet voltrokken. De gehoorzaamheid wordt erkend, maar de zoon wordt gespaard. Het mes valt niet. Het mensenoffer gaat niet door.
Mijn joodse leraar gebruikte een formulering die mij steeds is bijgebleven: God vraagt niet de dode zoon, maar de levende zoon. Anders gezegd: God vraagt niet dat Abraham zijn zoon aan Hem teruggeeft door hem te doden. God vraagt dat Abraham zijn zoon ontvangt als gave, niet als bezit. De zoon behoort niet aan Abraham toe, maar hij mag ook niet vernietigd worden om Abrahams geloof te bewijzen. Hij moet leven — voor God, niet als offerobject.
Die gedachte lijkt mij ook voor Eid al-Adha bijzonder vruchtbaar. Want misschien is het Offerfeest niet alleen het feest van gehoorzaamheid en offerbereidheid, maar ook het feest van de grens aan het offer. Het feest dat zegt: tot hier. Niet het kind. Niet de zoon. Niet de mens.
Vandaag krijgt dat verhaal een pijnlijke actualiteit. Want waar een ideologie de dood verheerlijkt — waar martelaarschap wordt voorgesteld als het hoogste wat een mens kan bereiken, waar bloed en offer politieke of religieuze waarde krijgen — daar klinkt het verhaal van Ibrahim als een tegenstem. De zoon wordt niet verheerlijkt omdat hij sterft. Hij wordt gered. Het hoogtepunt van het verhaal is niet de dood, maar de onderbreking van de dood.
Daarom zou Eid al-Adha ook gelezen kunnen worden als een tegengif tegen elke doodscultus. Tegen elk verhaal dat jongeren leert dat hun dood waardevoller is dan hun leven. Tegen elke beweging die kinderen, burgers of strijders opneemt in een taal van heilig offer. Als God de zoon niet laat sterven, hoe kunnen mensen dan opnieuw zonen en dochters op het altaar van strijd, eer, wraak of ideologie leggen?
Precies daarom verwondert het mij dat dit motief niet sterker op de voorgrond lijkt te staan wanneer islamitische stemmen zich verzetten tegen zelfmoordterrorisme, martelaarsverheerlijking of bewegingen die mensenlevens opnemen in een taal van strijd, bloed en offer.
Natuurlijk bestaan er duidelijke islamitische veroordelingen van zelfmoordaanslagen en terrorisme. Die vertrekken vaak vanuit juridische en morele argumenten: zelfmoord is verboden, het doden van onschuldigen is verboden, terreur zaaien is verboden, oorlog kent voorwaarden en grenzen.
Die argumenten zijn noodzakelijk. Maar zijn ze voldoende?
Extremisme leeft immers niet alleen van foutieve juridische redeneringen. Het leeft ook van verhalen, beelden, eer, vernedering, heldendom, gemeenschap, strijd en martelaarschap.
Hier is een belangrijk onderscheid nodig. Er is een fundamenteel verschil tussen de martelaar die sterft omdat hij weigert zijn geloof of geweten te verloochenen, en de fanaticus die de dood opzoekt om zijn geloof te bewijzen. In het eerste geval is de dood een gevolg van trouw; in het tweede geval wordt de dood zelf tot religieus doel gemaakt. Iets gelijkaardigs geldt in het christendom voor het kruis: het kruis opnemen betekent niet dat men lijden moet zoeken, maar dat men trouw blijft wanneer de weg van waarheid, liefde en gerechtigheid lijden met zich meebrengt. Martelaarschap ontspoort wanneer niet langer de trouw centraal staat, maar de dood zelf wordt verheerlijkt.
Extremisme spreekt niet alleen het verstand aan, maar ook de verbeelding. Het biedt jongeren een plaats in een groot verhaal, hoe destructief dat verhaal ook is. Tegen zo’n verbeelding volstaat misschien niet alleen een regel. Daartegen is ook een sterker verhaal nodig.
En precies hier zou het verhaal van Ibrahim en zijn zoon zo krachtig kunnen spreken. Want waar religieuze of politieke bewegingen mensenlevens opnemen in een logica van offer, zegt dit verhaal: God heeft het mensenoffer onderbroken. Waar zonen en dochters worden opgevoed met het idee dat hun dood meer waard kan zijn dan hun leven, zegt dit verhaal: de zoon werd gered. Waar vrouwen, kinderen en burgers worden opgenomen in een retoriek van strijd en martelaarschap, klinkt de vraag: leggen wij de zoon dan opnieuw op het altaar?
Dat is geen beschuldiging aan “de islam”. Het is een vraag aan elke religieuze traditie: gebruiken wij onze eigen sterkste verhalen ook wanneer ze onszelf onder kritiek stellen?
Want dit probleem is niet uniek voor de islam. Ook het christendom kent zulke momenten van selectieve blindheid. Jezus spreekt in de evangelies met ongehoorde scherpte over wie één van de kleinen ten val brengt: beter een molensteen om de hals en in de diepte geworpen dan zo’n kind schade toe te brengen. Men zou verwachten dat dit woord het centrum had gevormd van de kerkelijke reactie op seksueel misbruik. Hier sprak immers Jezus zelf, zonder omwegen, zonder verzachtende vroomheid, met de volle ernst van het kind dat beschermd moet worden.
Toch werd juist dit woord zelden het hart van de kerkelijke zelfkritiek. Vaak bleef men bij vrome interpretaties: “een kind ten val brengen” betekende dan vooral iemand van het geloof afbrengen. Dat is op zichzelf niet onjuist, maar het werd te smal. Terwijl de wereld schreeuwde om een ondubbelzinnige veroordeling van misbruik, bleef een van de scherpste evangeliewoorden opvallend onderbenut.
Misschien gebeurt hier iets wat religies vaker overkomt. Zij bezitten krachtige interne correctieven, maar activeren die niet altijd wanneer ze tegen de eigen gemeenschap, macht of vertrouwde interpretatie ingaan. Verhalen die het hart van de traditie zouden kunnen openbreken, worden dan verzacht, versmald of op veilige afstand gehouden.
Daarom stel ik de vraag bij Eid al-Adha niet als buitenstaander die de islam de les wil lezen. Ik stel ze als iemand die probeert te begrijpen welke kracht in dit feest besloten ligt. Als een traditie jaarlijks wereldwijd het verhaal viert waarin God het mensenoffer onderbreekt, mag men dan niet vragen waarom precies dit motief niet luider klinkt tegenover elke religieuze doodslogica?
Misschien moet men niet alleen zeggen: zelfmoordterrorisme is verboden. Niet alleen: het doden van onschuldigen is verboden. Niet alleen: dit is juridisch onaanvaardbaar. Misschien moet men ook zeggen: dit verraadt het verhaal dat wij vieren. Dit legt opnieuw de zoon op het altaar, terwijl God hem juist heeft gered.
Het Offerfeest zou dan niet minder islamitisch worden, maar juist dieper. Het blijft het feest van gehoorzaamheid, vertrouwen en overgave. Maar het wordt ook het feest van de levende zoon. Het feest dat herinnert aan de grens die God zelf aan het offer stelt.
En misschien is dat vandaag een van de meest noodzakelijke religieuze herinneringen: geen kind, geen burger, geen zoon of dochter mag nog worden opgeofferd aan God, volk, eer, strijd, wraak of ideologie. Waar de mens opnieuw mensenlevens op het altaar legt, moet de stem klinken die het mes tegenhield: ‘Niet de dode zoon. Maar de levende.’
